Oké, wtf. In week 38 scheur ik mijn linker bicep. Kleine ingreep, maar een lang herstel. Fok. (Naïef?) Positief als ik ben, schakel ik meteen naar revalidatiemodus. Dat houdt in: kalm blijven en de hersteltijd accepteren.
Maar eerlijk? Het lukt me niet.
Kalm blijven ís essentieel voor fysiek herstel. Simpel gezegd: je lichaam herstelt het snelst in rust. En toch… zodra ik een mug zie (hoe zijn er trouwens nog steeds muggen?), mag ik alleen mentaal reageren. Niet fysiek. Die klap zou een soort lucid dream moeten zijn: helder, bijna een out-of-body experience. Zou wat zijn, als je echt bewust je lichaam kon verlaten. Bij wie zou ik dan langsgaan? Geen idee eigenlijk. En misschien is het ook helemaal geen goed idee. Hoe zou je moeten afstemmen? Zijn er regels? Lastig. We dwalen af.
Weer terug: week 38 bicepscheur, nu week 39 dag 3. Er heerst een soort serene rust in huis. Alles is low sensory, kalmpjes aan. Alsof we ons voorbereiden op een wedstrijd. Dat moment aan het eind van je warming-up, wanneer je van harde muziek overschakelt naar stilte, puur om focus te vinden.
Wat me het meest raakt, is hoe Paloma zich ontwikkelt als teamspeler. Heel bijzonder om van zo dichtbij te zien. De laatste momenten met z’n tweeën verdelen we tussen samen zijn en bewust tijd voor onszelf nemen. We spelen Rummikub, koken samen, wandelen samen. En vooral: praten. Heel veel praten. En luisteren. Naar elkaars muziek, dromen, maar ook naar de kutmomenten van elkaar en van ons samen.
Grappig hoe juist de kutmomenten vaak blijven hangen. Misschien omdat wij vroeger altijd terug spraken, nooit vooruit. Sinds we dat hebben omgedraaid, is er veel veranderd. De afgelopen 18 maanden waren intens, maar nu is er rust. Natuurlijk, we oefenen al bijna tien jaar samen.
Wisten wij veel dat alles een test zou zijn? Nee. En ook: niet álles is een test. Zo zwaar bekijk ik het niet. “Naïef positief” noemde ik mezelf eerder, maar eigenlijk valt dat mee. Ik voel me nu vooral goed omdat ik met trots naar ons gezin kijk. Wat een start. Nooit had ik dit durven dromen.
En dromen doe ik nog steeds. Niks “als ik later groot ben” — volgend jaar gaan we naar New York. Met de baby. Hoe dik is dat? Voor je eerste jaar al in New York zijn geweest. Een grote flex: “Ja, toen ik één was namen mijn ouders me mee naar Amerika. Een maat van papa woont daar.”
Ik vraag me soms af: Zijn wij goed genoeg als ouders? Geen idee waar die surrogaat-onzekerheid ook soms vandaan komt, maar gelukkig heb ik er niet vaak last van. Misschien houdt het me scherp.
Want diep vanbinnen weet ik:
Wij zijn goed. We hebben dit.
Dat wordt sowieso één van de mantra’s tijdens de bevalling. Misschien erna ook nog, maar te ver vooruitkijken is soort van gevaarlijk toch ofso?
Wij zijn goed. We hebben dit.
Wij zijn goed. We hebben dit.

Plaats een reactie